'Voetbal is oorlog': overtredingen en totaalvoetbal

'Voetbal is oorlog', zei Rinus Michels - zijn beroemdste uitspraak (zoals 'Elk nadeel heeft zijn voordeel' als de beroemdste uitspraak van Johan Cruijff kan worden beschouwd). Nederland introduceerde op het WK 1974 niet alleen het totaalvoetbal, maar ook een agressieve, harde speelstijl die er op gericht was om de tegenstander niet in zijn spel te laten komen. (René Appel, Voetbaltaal, 1990, blz. 87)

Rinus Michels zou de bedenker zijn van de boutade 'Voetbal is oorlog' (een boutade is volgens Van Dale een 'min of meer geestige uiting van mishagen, ofwel 'een geestige uitval tegen iets'). Dat is hij blijven ontkennen. 'Topvoetbal is zoiets als oorlog,' had hij iets genuanceerder geponeerd, 'wie te netjes is, gaat voor de bijl.' Daarmee deed hij zijn bijnaam De Generaal alle eer aan. (Geert Vermeir, Voetbal stelt niets voor - De wonderbaarlijke waarheden van Jan Boskamp (2018), blz. 31)

In zijn biografie van Rinus Michels (2011) zegt Bas Barkman het volgende over de betekenis van 'Voetbal is oorlog': 'Spelers werden nummers, die zonder na te denken hun opdracht moesten uitvoeren, zijn opdrachten. Een goede prof, stelde hij al in 1967 in de Haagse Post, zou de robotvoetballer moeten benaderen. Drie maanden voor zijn afscheid legde hij in een interview met het Algemeen Dagblad uit wat hij daar destijds mee bedoelde: "Ik heb daarmee willen zeggen dat een speler alle karaktereigenschappen, die hij in het dagelijks leven heeft, maar die schadelijk kunnen zijn voor zijn spel, van zich af moet kunnen zetten. Hij moet zich kunnen omschakelen tot een primitief wezen. Een frontsoldaat kan zich ook niet permitteren om als een normaal denkend mens te handelen. Hij moet zijn persoonlijkheid los kunnen laten en hij moet vergeten wie hij is en wat hij doet. Anders wordt hij mesjokke, Topvoetbal is net zoiets als oorlog. Wie te netjes blijft is verloren." De vergelijking zoals Michels die maakte - topvoetbal is net zoiets als oorlog - zal hem tot aan zijn dood blijven achtervolgen, zij het in iets aangepaste vorm: 'Voetbal is oorlog'. (blz. 187-188)

Gerrie Mühren: 'Michels vond de slogan "Voetbal is oorlog" uit, omdat hij in principe wilde dat wij als militairen voor het voetbal leefden. Hij wilde ons, bij wijze van spreken, dag en nacht onder zijn hoede hebben.' (Theo Vaessen, Gerrie Mühren - Voetbal is een feest, 1992, blz. 81)

De zienswijze van Rinus Michels zou luiden: 'Voetbal is oorlog'. Hoewel volstrekt apocrief, is die stelling een geheel eigen leven gaan leiden. Michels hield er een bijnaam aan over. Voor eens en altijd werd hij 'de Generaal'. Het kon niet uitblijven dat ook Johan Cruijff het zijne bij droeg aan het discours. Als enige zat hij op één lijn met zijn vroegere leermeester: 'Voetbal is het slopen van de tegenpartij. Je zoekt de zwakke plek en dan begin je.' Bobby Haarms beperkt zich tot het geven van een toelichting op de gewraakte uitspraak. 'In de voetbalwereld is die goed begrepen, daarbuiten echter niet. Het heeft helemaal niets te maken met veldslagen in het veld of op de tribune of in het echt. Michels had het over de absolute top van het voetbal. Daar is het geen spelletje meer, maar een strijd. We hebben het hier over winnen of verliezen, over 1-0 of 0-1 en de wereld van verschil daartussen. Hij had een goed oog voor de enorme belangen die steeds nadrukkelijker op het spel zijn komen te staan, en daar speelde hij op in.' (Raymond Bouwman en Michel Sleutelberg, Tussen hemel en hok - Bobby Haarms en zijn Ajax, 1995, blz. 95-96)

Toen Rinus Michels in de jaren zeventig vriend en vijand verraste met zijn oneliner 'Voetbal is oorlog' bevroedde hij waarschijnlijk niet dat zijn uitspraak tot op de dag van vandaag geciteerd zou worden. Hij doelde niet op het in de jaren zeventig vrij ruwe spel maar op de strategische aspecten van het voetbalspel en op de onvermijdelijke uitslag van een wedstrijd: winst of verlies. Michels creëerde als coach van Ajax en in samenwerking met zijn spelers een strategie die de wereld versteld deed staan: totaalvoetbal, een tactiek waarbij sprake is van een aanvallend ingesteld team en waarbij alle spelers kunnen aanvallen en verdedigen. Het totaalvoetbal bracht een revolutie teweeg in het voetbal van de jaren zeventig. (Gyuri Vergouw, Bondscoach! - Coaching handboek voor 16 miljoen Nederlanders, 2014, blz. 49; Gyuri Vergouw, Oranje wereldkampioen - Managementlessen om te winnen, 2010, blz. 35)

Johan Cruijff over 'Voetbal is oorlog': Die woorden van Michels zijn vaak uit hun verband gerukt. Michels had het nooit over geweren of een schoppartij in het veld. Als er nu te hard wordt gespeeld, hoor je dat de mensen die opmerking in negatieve zin gebruiken. Michels doelde meer op puur professioneel voetballen, bijvoorbeeld op het moment dat ik eens in een wedstrijd tegen DOS scoorde, terwijl we kort voor tijd al met 3-1 voor stonden: niet even nog mooi dat mannetje passeren met alle risico's op blessures van dien, maar die bal er in rammen. Voetbal kan op die manier best oorlog zijn, maar wel met sportieve wapens.

Het bijzondere is dat de uitspraak van Cruijff hier bestaat uit het uitleggen van het aforisme van iemand anders. Michels zou met zijn beroemde uitspraak dus niet zozeer hebben gedoeld op het hanteren van de zogeheten professionele overtreding waarmee een veelbelovende aanval van de tegenpartij bewust wordt afgebroken of zelfs een doelpoging voorkomen. Cruijff legt hier meer de nadruk op het gebruik maken van geoorloofde tactische instrumenten. In het oorlogsrecht is ook het voeren van een gewapend conflict aan wetten en regels gebonden. (Cruijffiaans, blz. 300-301)

Samengevat zien we bij de uitleg van de uitspraak van Michels twee richtingen. Ten eerste zou gedoeld zijn op de noodzaak, onder omstandigheden, van een agressieve, harde speelstijl. Je wint de oorlog niet als je te netjes bent. Michels zag zijn spelers als robotvoetballers, nummers, als waren het militairen, frontsoldaten. Neen, wordt in de sommige commentaren daarentegen ook benadrukt, het ging erom dat topvoetbal een strijd om winst en verlies is, er moesten geen veldslagen worden geleverd, maar strategisch worden geopereerd, maar niet in het licht van de gewelddadige uitvoering van een militaire strategie op het slagveld.

'Voetbal is oorlog' zou dus zoveel betekenen als strijd, winnen of verliezen, erop of eronder met de spelers als frontsoldaten. In die zin was ook totaalvoetbal 'oorlog', met zogeheten professionele overtredingen. De uitspraak 'Voetbal is oorlog' symboliseert als het ware het feit dat het maken van functionele overtredingen tot de praktijk van het totaalvoetbal, althans in ons land, behoorde. We zullen dit aspect echter niet aan de definitie van totaalvoetbal toevoegen, omdat zulke overtredingen eenvoudigweg onreglementair zijn.

Oranje op het WK

Michels loste het probleem in het centrum van de verdediging op door Arie Haan, middenvelder van oorsprong, als libero te posteren. Het was een gewaagde zet, die alleen kon lukken als Rijsbergen de één-tegen-één situaties aankon. Het totaalvoetbal was geboren. Jan Jongbloed als de voetballende doelverdediger, Haan de inschuivende libero, Cruijff de inzakkende spits. Het elftal had ook nog een ander wapen achter de hand: de overtreding. Oranje werd de hardste ploeg van het WK van 1974. Het één was het logisch gevolg van het ander. Rijsbergen: 'Ik stond er regelmatig alleen voor. Eén tegen één zonder rugdekking was heel normaal, zo speelden we, maar het was risicovol. Iedereen joeg op de bal: Neeskens, Van Hanegem, Jansen, zelfs Cruijff als het moest. Als op de helft van de tegenpartij balverlies werd geleden, moesten we naar andere middelen grijpen. De overtreding was een onlosmakelijk deel van het totaalvoetbal. We konden het ons niet veroorloven dat de tegenpartij snel de diepte zocht. Daarom werd er hier en daar wel eens een schopje uitgedeeld. Functioneel hard heette dat. We maakten slimme overtredingen, waar je nu geel voor zou krijgen: even in de weg lopen, een tikje uitdelen. Maar het waren geen aanslagen.' (André Hoogeboom, Wim Rijsbergen - Van Feyenoorder tot globetrotter, 2015, blz. 91-92)

Het 'Ajaxisme was een doctrine die creativiteit met brutaliteit verbond en sierlijkheid aan geschoffel linkte. (Raf Willems, De beker met de grote oren - Een persoonlijke kroniek van 40 jaar Europa Cup, 1995, blz. 58)

De zogeheten professionele overtreding als onlosmakelijk deel van het totaalvoetbal. Lichte overtredingen van het type spelbederf om zo veelbelovende aanvallen van de tegenpartij in de kiem te smoren. De functionele overtreding kan niet tot de basisdoctrine van het totaalvoetbal gerekend worden, want zij was onrechtmatig. Zij kan ook niet gerekend worden tot de mogelijk toepasbare taktieken, want zij was strategisch van aard, immers in de woorden van Rijsbergen 'een onlosmakelijk deel van het totaalvoetbal'. Afgezien daarvan werd zij toegepast door een bepaalde ploeg, het Nederlands elftal, in een bepaalde wedstrijdenreeks (WK 1974). Het hoeft niet per se zo te zijn dat je niet succesvol kunt totaalvoetballen zonder professionele overtredingen te begaan. Interessant is dat het in beginsel om lichte overtredingen moest gaan, het betekende niet automatisch dat er fysiek 'hard' gespeeld moest worden.

Antivoetbal

De Hollandse Voetbalschool was volgens Zwartkruis in 1978 'technisch voetbal gebaseerd op grote inzet en een maximaal loopvermogen'. Hij constateerde dat trainers uit vele landen bij hem kwamen informeren hoe Nederland dat fantastische circulatievoetbal met die plotselinge tempoversnellingen toch voor elkaar kreeg. Het inzetten van meer fysieke kracht, wat de kenners in Argentinië als noodzaak voor succes dachten te hebben waargenomen, vond dan ook weinig gehoor bij de bondscoach. Natuurlijk, ook Zwartkruis had zijn ogen niet helemaal in zijn zak en zag wel dat er harder gelopen werd en dat de duels vinniger waren dan pakweg tien jaar eerder. Het Nederlands elftal was er gedurende het WK zelf het beste voorbeeld van geweest. Maar om dat verder door te voeren, zag hij niet zitten. Veel liever ging de bondscoach door op de weg die het Nederlandse voetbal vanaf het begin van de jaren zeventig wereldfaam had bezorgd: artistiek voetbal, veel vrijlopende spelers en dat alles vooral gestimuleerd door Nederlandse trainers. (Ruud Doevendans, Tussen twee finales - Oranje 1978-1988, affaires en antivoetbal, 2017, blz. 18-19)

Het Nederlands elftal zou in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de (functioneel) hardste ploeg van de beide WK's waarin de finale werd gehaald, zijn geweest (Rijsbergen; Zwartkruis). Wat de derde finale-WK betreft: in een biografie over Louis van Gaal uit 2014 wijst auteur Maarten Meijer op de ironie dat de Spaanse uitvoering van de Hollandse School van het totaalvoetbal door Oranje met 'anti-voetbal' werd bestreden in de WK-finale 2010: 'De gebeurtenissen van vier jaar geleden zijn tijdens het WK van 2014 in Brazilië waarschijnlijk door zowel de fans als de pers nog niet vergeten. Met hun zo nu en dan buitensporig harde optreden in Zuid-Afrika kregen de Nederlanders van de liefhebbers maar weinig handen op elkaar. Nigel de Jongs poging om met een soort karateschop ten koste van Xabi Alonso's gezondheid een bal op borsthoogte te veroveren, was zo'n vlaag van roekeloosheid die het totaal van de verrichtingen van Oranje in Zuid-Afrika ontsierde. Hoe ironisch is het toch dat juist het systeem dat de Nederlandse spelers tegen hun Spaanse overwinnaars probeerden te bestrijden nooit zou zijn verwezenlijkt zonder de invloed van Cruijff/Van Gaal bij Barcelona in de jaren negentig van de vorige eeuw. In 2010 was men er getuige van hoe het Nederlands voetbal het opnam tegen een aangescherpte uitvoering van een systeem waarvoor het zelf de weg had bereid. Wellicht zullen de Nederlanders in 2014 onder Van Gaal het meesterschap over dit systeem terugveroveren.' (Maarten Meijer, Louis van Gaal - De biografie, 2014, blz 367)

Jonathan Wilson zegt in Het geheim van Barca - De evolutie van het totaalvoetbal van Cruijff tot Guardiola (2018) dat de overtreding van De Jong tegen Alonso getuigde van een mentaliteit die inging tegen de Cruijffiaanse idealen, maar die kenmerkend was geweest voor het optreden van Oranje op het WK 2010. Nederland had wel eerder WK-finales verloren. Het had geweldige teams voortgebracht die prachtig voetbal speelden en toch net niet thuis waren gekomen met de trofee. Dat was de Nederlandse identiteit, en de winst tegen de Sovjet-Unie op het EK van 1988 was een glorieuze uitzondering. Heroïsch ten onder gaan met een air van morele superioriteit hoorde bij de cultuur. De journalist Simon Kuper heeft opgemerkt dat dat niet alleen voor het Nederlandse voetbal gold: Nederland was in de jaren zestig bekend komen te staan om zijn tolerantie en dat had zich in het politieke discours weerspiegeld in het adagium 'Nederland gidsland'. Daarom was wat er op het WK in Zuid-Afrika gebeurde ook zo pijnlijk, het was afgaan zonder gevoel van morele superioriteit. En daarom ook was er weinig bijval voor het team van Bert van Marwijk dat was doorgedrongen tot de finale. Integendeel, er heerste afschuw. Het was alsof De Jong met zijn noppen niet alleen op Xabi Alsonso's borst maar op de meest vereerde Hollandse tradities had ingestampt. Spanje, niet Oranje, was de ware exponent van het post-Cruijffianisme geworden. (blz. 210-211, 212)

Maar uiteindelijk stond de meest fundamentele kritiek op het Nederlands elftal in de Catalaanse krant El Periodico. In het kritische verhaal kwam Johan Cruijff terug op een vraag die hij enkele dagen eerder nog ontkennend had beantwoord. Dat Nederland tegen Spanje precies zo zou spelen zoals Inter Milan met Wesley Sneijder dat jaar onder Mourinho voor de Champions League had gespeeld tegen Barcelona, leek hem onmogelijk. En toch was het gebeurd. 'Het doet me pijn dat ik ongelijk had met mijn weerwoord en dat Holland het lelijke pad koos om de wereldtitel te behalen. Deze lelijke, vulgaire, harde, hermetische, nauwelijks bezienswaardige voetbalstijl hielp de Nederlanders bij het ontregelen van de Spanjaarden. Als ze hier voldoening uit haalden, dan is het prima. Maar uiteindelijk verloren ze toch. Ze speelden anti-voetbal.' (Arthur van den Boogaard, Zo speelden wij - Nederland in veertien legendarische voetbalwedstrijden, 2014, blz. 213)

De derde WK-finale zou dus vooral gekenmerkt zijn geweest door zuiver fysieke hardheid anders dan in het algemeen gesproken de WK's van 1974 en 1978 (functionele overtredingen). In 1978 zou er wel een tendens naar meer hardheid zijn geweest (zie de finale tegen Argentinië), zodat 1978 wat dat betreft ongeveer het midden houdt tussen 1974 en 2010.

Volgens Doevendans is er is een overduidelijke parallel te trekken tussen de WK-finales die Nederland in 1978 en 2010 speelde. Beide keren zijn het de oranjehemden die binnen een minuut een zware overtreding begaan, waarmee de sfeer van de wedstrijd wordt bepaald. Beide keren zijn het vooral de Nederlanders die zich te buiten gaan aan ernstig grof spel, beide keren ook is het geweeklaag over de scheidsrechter naderhand niet van de lucht. En wordt er hardnekkig naar de tegenstander gekeken als het gaat om de schuldvraag. De WK-finale van 1978 is geen incident. Het Nederlandse voetbal blinkt in dat decennium niet alleen uit in creativiteit en doeltreffendheid, maar vervalt ook regelmatig in hardheid, soms uitlopend op onacceptabel schopwerk. Een kleine tien jaar voor de WK-finale van 1978 is het roer in het vaderlandse voetbal radicaal omgegaan. Met dank aan Rinus Michels. De trainer ziet zijn Ajax steeds meer groeien, maar uiteindelijk verliest de ploeg het toch altijd van tegenstanders uit Zuid- en Oost-Europa die wél weten waar Abraham de mosterd haalt. Het moet mannelijker, harder, fanatieker. Het gaat om de punten. De manier waarop die worden behaald, is van ondergeschikt belang. De gevolgen zijn niet te miskennen. Ajax verovert drie Europa Cups op rij, van 1971 tot en met 1973. Die bekers voor landskampioenen zijn volledig verdiend door het vaak prachtige aanvalsspel van de Amsterdammers. Maar in al die finales maken de Ajacieden ook beduidend meer overtredingen dan hun opponenten. Wie de laatste veertig jaar van het internationale voetbal napluist, ontdekt een patroon: Nederlandse ploegen maken in belangrijke wedstrijden vrijwel altijd meer overtredingen dan hun tegenstanders. Regelmatig zetten Nederlanders de toon als het gaat om hard spel. Ook tijdens het WK van 1974 hanteert het destijds bewierookte Oranje al regelmatig de botte bijl. De ploeg van Rinus Michels speelt het hardst van alle deelnemers op dat toernooi, waarmee ze tegenstanders intimideert. In zes van zijn zeven wedstrijden begaat Nederland de meeste overtredingen. Opvallend voor een ploeg die zo veel meer in balbezit is dan haar opponenten. Niet alleen met de buitenspelval wordt de tegenpartij bestreden, het lijkt erop dat Nederland de andere ploegen daarnaast door snelle overtredingen van aanvallen afhoudt. In de jaren tachtig trekt het Nederlandse voetbal de lijn van hard spel en vele overtredingen door. Wat in 1971 is ingezet, vindt tien jaar later nog steeds navolging: wanneer Nederlandse ploegen spelen, zie je veel, heel veel overtredingen. En als de wedstrijden belangrijker worden, zet Nederland als het gaat om hard spel nog een tandje bij. Het gedrag van de Nederlandse spelers tijdens de WK-finale van 2010 is dus veel minder verrassend dan weleens wordt aangenomen. In feite was het gewoon te verwachten. Dat is sowieso opvallend: vooral in de beginfase van een wedstrijd die ertoe doet, willen Nederlanders nog wel eens laten zien dat er met hen niet te spotten valt. (Ruud Doevendans en anderen, Voetbalhelden sterven niet, 2012, blz. 213, 214, 215-216, 216-217, 218-219, 220-221)

Er moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen te hard spel en 'lichte', functionele overtredingen. Het laatste zou eerder kenmerkend voor het ware totaalvoetbal moeten zijn, terwijl te hard spel zou passen in de latere periode van de identiteitscrisis van de Hollandse School. Dat lijkt echter alleen maar theoretisch verdedigbaar.

Rob Siekmann

[uit: 'De Hollandse School van het totaalvoetbal - Historie en analyse: een literatuurstudie', 2021. 

Het boek verschijnt in druk op 4 juni a.s. bij 20/10 uitgevers te Rotterdam]

Doelgroepen: 

Bestand: